Twee zen monniken – een wat oudere en een wat jongere – waren samen op reis doorheen China. Ze kwamen aan bij een woeste rivier die ze moesten oversteken. Op de plek waar de weg en de rivier elkaar kruisten, stond een erg mooie jonge vrouw. De vrouw was wat in paniek en maakte zich zorgen hoe ze moest oversteken zonder te verdrinken.
Zij vroeg de monniken haar te helpen bij het oversteken. De jongere monnik aarzelde en weigerde uiteindelijk om dit te doen. De wat oudere monnik aarzelde geen moment, nam haar op zijn schouders, droeg haar naar de overkant en zette haar daar neer.
Zwijgend vervolgden de monniken hun weg. Het was duidelijk dat de jongere monnik niet echt gelukkig was met hetgeen zich had voorgedaan.
’s Avonds laat toen ze onderdak hadden gevonden in een tempel kon de jongere monnik zich niet langer bedwingen en vroeg:
“Hoe kan je die jonge vrouw dragen op die manier? Wij zen-monniken mogen geen vrouwen aanraken. Dat is tegen ons geloof. Waarom heb jij dat dan toch gedaan?”
De oudere monnik antwoordde: “Ik heb de vrouw opgepakt, naar de overkant gedragen, haar daar neergezet en losgelaten. Jij draagt haar kennelijk nog steeds met je mee en hebt haar nog niet losgelaten.”